rest bestond uit Walen en Duitschers, met vier compagnieën ruiterij en eenige sappeurs. Hij wilde dat de kapiteins Francisco de Aguilar Alvarado en Damièn de Morales met hun Spaansche troepen, en Mal- donado en Pistolete met hun Waalsche manschappen, ieder afzonderlijk zouden proberen of het doorwaden van den stroom mogelijk zou zijn. Bij daglicht staken zij in kleine vaartuigen over naar het eiland Philips- land en wachtten daar tot het eb was. Toen gingen zij door het water en over zandplaten tot midden in de grote vaargeul, hoewel de vloot der rebellen tot dicht bij hen kwam om hun den doortocht te beletten. De kapiteins lieten nu halt houden en zonden den Commandeur bericht dat er meer soldaten zouden omkomen dan behouden den overkant bereiken. Juan Osorio de Ulloa, overste van de infanterie, was echter van tegen overgestelde meening. Hij zond Juan de Aranda uit om bij nacht met 12 soldaten de doorwaadbare plaatsen te verkennen, met twee gidsen die in deze streek woonachtig waren, en de verzekering hadden gegeven dat de tocht heel wel mogelijk was. De mannen begonnen den doortocht aanvankelijk in de richting van de vloot der opstandelingen. Het was een heldere maannacht, en dicht bij den dijk van het eiland Duiveland gekomen, verdeelde de troep zich dan ook om minder kans te hebben van opgemerkt te worden. Vlak bij den dijk bemerkten de schildwach ten Don Francisco Maradas en maakten alarm. Hierdoor moesten de mannen omkeeren, doch konden den Groot-Commandeur melden dat men te voet door het water heen kon gaan. Er werd over deze onderneming veel geredetwist, en in den krijgsraad waren er verscheidene leden tegen gekant omdat zij hem voor te hachelijk hielden, maar de Groot- Commandeur besliste dat het gebeuren zou en hij beriep zich daartoe op kolonel Mondragon 9), die Goes had ontzet door een zeearm 10) van meer dan drie mijlen te doorwaden. Hij ging dus met zijn manschap pen naar St. Annaland, waar hij op achtentwintig September aankwam. Hier liet hij aan ieder der mannen die den tocht moest ondernemen een paar lage schoenen en twee knapzakken uitreiken. De knapzakken werden om den hals gehangen, in den een was kruit en in den ander kaas en brood als leeftocht voor drie dagen. De troep bestond uit vijftienhonderd man, zeshonderd van hen waren Spanjaarden van de compagnieën van Julian Romero, Don Luis de Queralte en Don Felipe de Bracamonte. De admiraal van de vloot, Sancho Dcivila, zou zich met de galeien en de andere schepen gereed houden om de rest van het leger naar Philips- land over te brengen. Hieraan was veel gevaar verbonden, want de vloot der opstandelingen, die zeer groot was, lag op de uitkijk, en als de wind hun gunstig werd, zouden zij met hun veel zwaardere schepen de ranke vaartuigen van den Katholieken Koning in den grond kunnen bo ren. De Groot-Commandeur sprak de soldaten toe, en zijn woorden wekten hen op en vuurden hen aan. Don Lufs de Requesens was een ern stig en verstandig man met een vriendelijken, rustigen en zachtmoedi- gen aard. Daags voor Sint Michiel, om elf uur 's avonds, bij het invaller van de eb, sprak hij de kapiteins nog eens toe, en wees een ieder van hen nauwkeurig op datgene wat hij te doen had, om te vermijden dat er tegen strijdige orders zouden worden gegeven. Sancho Dcivila kreeg het bevel over de vloot, kolonel Mondragön zou de Duitsche en Waalsche soldaten aanvoeren en Juan Osorio de Ulloa kreeg de leiding over de Spanjaarden. Hij zou aan allen vooruitgaan om den weg te wijzen in den zeearm. 14

Tijdschriftenbank Zeeland

Kroniek van het Land van de Zeemeermin | 1976 | | pagina 18