De Zeeuwse Oude van de Zee
ZEEUWS TIJDSCHRIFT
No. 1
jac. R. W. Sinninghe
HET is een aantrekkelijke gedachte om
het volksgeloof van de landen langs
de Noordzee te vergelijken, en in het
bijzonder de demonen die uit deze zee op
komen.
Aan de vrijwel dichtgeslibde zeearm het
Zwin waren meer dan honderd jaar geleden
twee jonge meisjes de koeien aan het hoeden
toen ze opeens een oude man zagen, die zo
maar dwars door het water van de kreek
want dat was het Zwin nog in die tijd
op hen afkwam.
Deze „oude van de zee" droeg ouderwetse
boerenkleding en had een landmeterroede in
de ene en een propvolle geldbuidel in de an
dere hand. De meisjes wisten van schrikt niet
beter te doen dan hem toe te roepen: „Hé
baas, eet ge mee van onze patatten?", maai
de oude man gaf geen antwoord en hield hen
zwijgend zijn buidel voor. Toen werden de
meisjes zo bang, dat ze alles in de steek lieten
en naar huis holden. Daar vertelden ze van
hun ontmoeting en het hele dorp liep uit om
de vreemde man uit de zee te zien en zijn
geldbuidel te bezitten, maar bij de kreek ge
komen, zagen ze niets meer en keerden
onverrichterzake naar huis terug.
Deze vriendelijke „oude van de zee" vond
zijn evenbeeld in de omgeving van de Schelde-
stad Gent, waar een stokoud mannetje, zuch
tend en klagend, uit het water opkwam; als
men hem vroeg, wat hem deerde, zuchtte hij
zo mogelijk nog zwaarder en verdween weer
in de diepte.
Doorgaans echter zijn de demonen, die langs
de kust en uit de kreken en wellen van het
Scheldeland opduiken, ware kwelgeesten.
Evenals die andere „Oude van de Zee", waar
van verteld wordt in de avonturen van Sinbad
in de Duizend-en-Een-Nacht, laten deze ruige
gasten zich dragen, waarbij zij hun klauwen
Mcj. Luc Montigny zond ons een bijdrage
over „De Zeeuwse Oude van de Zee en het
Schotse Water-paard". Op haar verzoek schreef
de heer Jac. R. W. Sinninghe er een inleiding
bij, waaruit het verband met Zeeland blijkt.
De schrijfster deelde ons mee dat volgens
Mr. J. C. van Schagen er nog steeds Keltische
sporen op Walcheren zijn aan te treffen (vóór
de komst der Romeinen hebben er rond en in
„Zeeland" Kelto-Germaanse volkeren geleefd -
M.C.V.). Aan mej. Montigny is hiervan - hoe
graag zij het ook zou willen, schrijft zij - niets
bekend.
In muziek, noch in taal of folklore heeft zij
iets van overeenkomst of zelfs maar van geringe
aanwezigheid kunnen ontdekken.
Een mogelijke overeenkomst tussen wat Zee
land en de Schotse Hooglanden folkloristisch
zou moeten binden in een geheimzinnig zeedier:
de zeehond ontkende ook Sinninghe. Wel in
Schotland, maar niet in Zeeland waart dit fasci
nerende dier in de folklore rond. „En ziet, daar
komt me daar die kostelijke Zeeuwse Oude,
gepruikt en deftig-stijf zo maar uit zee op
duiken, dezelfde zee die onpartijdig de schone,
jonge Keltische Jonge van de Zee omgeeft."
om de schouders van de late wandelaar slaan
en hun lange haren over zijn gezicht laten
vallen, om dan plotseling los te laten en
in het water te verdwijnen, waaruit ze zijn
opgekomen.
Deze nekkers, die aan de brabantse kant
en op Goeree bekend zijn als flodder, en in
Antwerpen, dat eens door ruien (grachten)
doorsneden was, als de Lange Wapper werden
gevreesd, heten zowel in Zeeuwsch-, als in
Oost- en West-Vlaanderen ossaert of roes-
saert. Deze laatste naam beduidt de rosse, le
rouquin, een euphemisme voor de duivel,
waarmee zulke demonen vaak vergeleken
worden.
Ossaert is een ware proteus, die velerlei
gedaanten aan kan nemen. Soms ziet men hem
rondsluipen als een grote, ruwharige hond,
die met bellen of met een ketting rammelt,
dan weer huppelt hij, in de nevel, als een wit
16